zondag 2 november 2014

Weten



Hoe kan het dat ik in 1985 in Portugal niet wist wat er in Angola speelde? Hoe kan het dat de enige geschiedenis die mij ter ore kwam, die was van de Revolutie tien jaar eerder. “Antes de Revolução.. antes..”  Vroeger. Vroeger, voor de Revolutie was alles beter. Señor Rocha sprak over Lissabon, hoe goed ze het hadden. Een belletje op tafel en de dienstmeid – in zwart met een wit schortje met dito kapje op haar hoofd -  kwam binnen om het eten te serveren. Ze was vast zwart. Uit Brazilië of Mozambique. Zwarten telden niet. Minachtend met de neus in de lucht en een handgebaar dat probeert het onderkruipsel weg te vagen. “Eh pa.. as Brasileiras.. eh pa..!” en dan wegkijken. We hebben ze niet gezien.

Nooit had señor Rocha het over Angola. Of ben ik het vergeten? Zijn zoon Zé – destijds mijn tijdelijke geliefde – had het al helemaal niet over de koloniën. Mauritanië. Dat was wat er op geografisch gebied uit zijn mond kwam. Eventueel Duitsland, maar liever niet want daarom zat hij hier in de ellende: verneukt door zijn Duitse zakenpartner. Voor hem was Portugal niets beter dan Mauritanië. Geen werk. Geen elektriciteit , geen water. Armoe. Over Angola had hij het niet. Wel wees hij op de weg beneden mijn huisje, dat ik van zijn ouders in ruil kreeg voor het opschilderen ervan. Op die weg stonden geen palen voor elektriciteitsdraden. Wel geasfalteerd, want een hoofdweg vanaf de zee het binnenland in. “Gekke rivier” heette het dorpje. Odelouca. Geen zwarte te bekennen. Alleen Portugezen die er hun sinaasappelbomen bewaterden en hun kippen eten gaven. Ik ook.
“Meninos! Meninos!”riep ik elke ochtend als de zon langzaam boven de heuvels achter het huis omhoog kroop. Dan mochten ze uit hun hokje. Mijn zelf opgekweekte eendagskuikens. De mais die ik op het zand strooide was in een paar minuten naar binnen geschrokt. Toen ze groot genoeg waren om gesoupeerd te worden waren ze verdwenen. Ongelovig zocht ik de rivierbedding af op zoek naar mijn kinderen, mijn ‘meninos’. De Portugezen lachten me uit en maakten een handgebaar langs hun strot. Gekild.
 Portugees ging me aardig af. Dat leer je wel als niemand iets anders spreekt.  “Pap secos faz favor..”  Als ik niet te laat was kreeg ik een laatste broodje van de bakker die het dorp aan deed. Ik leefde er mijn leven, voor het eerst in het buitenland wonen. Mijn grote droom. Maar van oorlogen en Angola wist ik niets.
Nu, bijna dertig jaar later – krijg ik er eindelijk iets van mee. Televisiedocumentaires laten mij zien wat ik toen niet wist. In boeken lees ik waar ik toen geen vermoeden van had. Voetbalelftallen met eenbenige voetballers. Elf benen en elf stokken strompelen fanatiek door het stoffige zand . Achter de bal aan.  Kapotgeschoten huizen die ooit de statige bouwsels van de kolonisator waren. Gereduceerd tot een ruïne waar hooguit een arme familie een hoekje van in beslag neemt. Oorlogsinvaliden. Was je niet kapotgeschoten in de oorlog dan liep je wel op een mijn die je voor je leven verminkte. 
Hoe is het in godsnaam mogelijk dat ik niet wist  van de mijnenvelden in Angola waarmee de strijdende partijen elkaar alleen maar mee leken uit te willen roeien.  Niet wist van de Portugezen die hals-over-kop naar hun thuisland vluchtten? Weg van de rebellen die dreigden de stad in te nemen. Huis en haard achterlatend.

Waarom wist ik dat niet? Ik had geen elektriciteit, dus geen televisie. Had ik geen radio? Ik had een walkman waarin ik mijn avonturen in sprak. Ik kocht wel eens een Portugese krant, kwam niet verder dan de koppen. Lezen is iets anders dan praten en luisteren. Op de markt waren ze trots op de ‘holandesa.. tudo sozinha ..”  Op de struise Hollandse, helemaal alleen. Op een oude Sax brommer. Bij ‘sozinha’ trokken ze steevast een zielig gezicht. Zielig, dat niet. Wel vaak ongelukkig. De frustraties van mijn geliefde verteerden me. Het werd maar niet leuk en eindigde na driekwart jaar in TBC. Een cadeautje van de Derde Wereld. Mauretanie zoals Zé me zo vaak gewaarschuwd had.
En van de oorlog in Angola wist ik niets.

donderdag 30 oktober 2014

Kleur



De lucht kleurt lichtgrijs. De rose en oranje gerbera’s in de vensterbank steken er fel tegen af. Op de gang is het voornamelijk wit wat de klok slaat. Artsen en verplegers doen hun ochtendronde. Ze turen op verrijdbare beeldschermen die de felgroen gekleurde ingang van de zaal blokkeren. Kleur, het is een onmisbaar goedje in een ziekenhuis. Toen ik op de Eerste Hulp was verbaasde ik me over de kinderhoek die daar was ingericht. Felgekleurde vissen op de muur, knallende gordijnen en wat al niet om de kleintjes vooral gerust te stellen cq op te vrolijken.
Hier op zaal moeten we het van onszelf hebben. Hoewel de voedingsassistente met haar etenskar een aardige duit in het zakje kan doen. Veelal plagerig “nee dat krijg je niet” of “zoveel koffie? Dat kan niet hoor!”, verwent ze ons extra met  fruitsalades en kwarkjes die overgebleven zijn. De vrijwilligster die al 25 jaar haar diensten aanbiedt in het ziekenhuis is een belevenis op zich. Je wordt van je leesbril beroofd omdat ze die wil wassen, je bloemen worden onder “wat een verschrikkelijke struik!” weggehaald om een half uur later - opgepept in schone vazen – nonchalant weer terug gezet te worden. En onderwijl verhalen, verhalen, verhalen. “Ik ben altijd aan het opruimen. Mijn man verzamelt alles, hij was voddenman vroeger. Verschrikkelijk. Altijd rotzooi!” onderwijl inspecteert ze onze kastjes die vol liggen met pillenbekertjes, zakdoekjes, kranten, pennen, glaasjes en kopjes in allerlei maten en last-but-not-least pleisters en verband. “Wat een rotzooi verzamelen jullie toch” klaagt ze en probeert de boel te ordenen. Onderwijl troeft mijn Amsterdamse overbuurman haar af met zijn verhalen. “Ik was 25 jaar inkoper in het Burgerziekenhuis. Rontgenfilms, verband, injectiespuiten, alles, alles, alles kocht ik in. Alleen geen medicijnen.” Hij herkent de vrijwilligster direct uit die tijd. Zij herkent hem niet. Te lang geleden. Maar het ene na het andere verhaal dissen ze op. “Weet je nog die.. en die..?”
De zaal is een Jordanese bruine kroeg geworden. Ach, bruin, dat is ook een kleur.

woensdag 29 oktober 2014

Zilver

Dit stukje moest eigenlijk over afbakbroodjes gaan. Dat we die zouden krijgen bij de lunch en toen toch weer niet. Zo ongeveer als die jongens die naar Parijs gingen en toch weer niet. Veel draait hier om eten en drinken. De dagindeling wordt er in hoge mate door bepaald. Aangezien er altijd wel iets extra’s is, verheugen we ons op de lunch. Deze keer dus geen afbakbroodjes maar eiersalade, heel klein in een doorschijnend plastic bakje. Rechtop in bed of hangend in de kussens smullen we stil van de boterhammen, crackers en beschuiten.

“Daar heb je hem!” waarschuwt mijn kamergenoot me opeens. Hij weet dat ik op zoek ben naar een medepatient.
“Italia! Italia!” roep ik hard vanuit mijn bed. Hoe trek je anders de aandacht van een Italiaanse patiënt die op de gang voorbij loopt?
“Hij mag niet binnen hoor!” roept mijn Amsterdamse overbuurman quasi boos.
Tot mijn grote verbazing heeft de Italiaan het gehoord en staat met vragende serieuze blik in de deuropening.
“Come in!” wenk ik hem, “Trek je maar niks van P. aan” waarschuw ik hem lachend. Schoorvoetend komt hij dichterbij.
“It is about your shoes” probeer ik hem duidelijk te maken. Hij buigt zijn hoofd met daarop een olijk hoedje voorover en bekijkt zijn voeten die hij voor de gelegenheid schuin uit elkaar gezet heeft. Daaraan prijken uitbundige basketballs die aan Michael Jacksons voeten niet misstaan zouden hebben. Glimmend zilver met gouden riempjes, ritsen en klittenbanden.
“Michael Jackson!” grijnst hij alsof hij mijn gedachten kon raden en geeft me daarna zijn brede Italiaanse lach.
Zijn hele outfit is trouwens bijzonder. Onder het colbertje prijkt een lichtblauw operatiehemd met daaronder - bruin behaard -  dunne blote benen.
“You look beautifull!” prijs ik hem. “Can I take a photo of  you?” Alsof hij niets anders gewend is poseert hij voor mijn telefoon.
“Thank you!!” roep ik blij, hoewel ik eigenlijk niet goed weet wat ik met de foto zou moeten. Patiënten op het internet zetten vind ik not-done of in goed Nederlands: “dat doe je niet”. En dus blijft er niets anders over dan hem met de pen te beschrijven, met het penseel te schilderen of met de laptop uit te tekenen via mijn blog. Bij deze ;-)

zondag 26 oktober 2014

Wintertijd


Ik zal het wel nooit doorkrijgen: wat voor invloed de tijds wisseling heeft op het 'gloren van de dageraad' oftewel, of het nou vroeger of later licht wordt.
De bioklok trekt zich niets aan van zomer- of wintertijd. Om zes uur word ik wakker van mijn eigen Au!geroep. Pillen please! De nacht verpleegkundige steekt heel even haar hoofd om de hoek van het gordijn rond mijn bed. Ik zie haar wegsjokken om de pillen te halen. "Ben je moe?" vraag ik. Somber zucht ze "een uur langer werken..pffht!"
Mijn zaal genoten liggen nog in diepe slaap. Mijn buurvrouw draait zich nog eens om. Ik kan niet nalaten even tussen de gordijnen door te spieken. Gister had ze bijkans het hele infuus omver getrokken door haar gedraai. Ik kon het nog net opvangen. Mijn 79-jarige buurman - altijd in top humeur - kijkt somber voor zich uit. "Weer koorts. Hoe moet dat nou?"
Als de dame met de ontbijtkar de zaal op komt staat zijn gezicht helemaal donker. " Ik wil niks hoor!" waarschuwt hij haar. Ze is te leuk en te gezellig om zich iets van hem aan te trekken. Kordaat zet ze een vol blad op zijn nachtkastje. "Ik eet alleen de yoghurt hoor!" maar ze is qua humeur niet uit het veld te slaan. Ze vult mijn blad met aardbeien, koffie, brood, kaas en een eitje.
Vol bewondering kijkt mijn overbuurman toe hoe ik de boterhammen omtover tot ware taartjes. "Wat kan jij lekker smikkelen meid!" Inderdaad, ik heb eindelijk eens wat anders dan een buik-aan-diggelen. Met een ziek been kan je prima eten.
En de klok? Wankelend op een stoel draait onze kordate voedingassistente de klok een uur terug. Het is nog steeds acht uur. Wintertijd. En het is gelukkig licht

zaterdag 25 oktober 2014

lotgenoten

Geen ziekenhuis zonder inzinking. Gisteren kwam ie, totaal onverwacht. Naast mij was een naamgenoot komen te liggen. Bijna 'natuurlijk' met een darmafsluiting. Lotgenoten heet zoiets. Ik had haar als ervaringsdeskundige nog niet verteld dat zo'n afsluiting diverse oorzaken kon hebben of daar kwam de chirurg. Het gordijn werd dicht getrokken om haar het slechte nieuws te melden: een tumor in de darmen. Gordijnen zijn niet echt geluidwerend, dus lag ik stokstijf aan te horen hoe in nog geen twee minuten haar dit nieuws en het verdere verloop ervan werd meegedeeld. Daarna stilte. Geen snik, geen traan, alleen " heb je het gehoord? Ik heb een tumor.."
Ik keek haar aan en zag haar liggen. Kleintjes onder de lakens met grote bange ogen. "Geen uitzaaiingen " herhaalde ik "dat zei hij" en slikte zo goed en zo kwaad als het kon mijn eigen tranen weg.
Daarna kwam uit het niets mijn pijn, mijn angst. En mijn tranen. Niet meer te stoppen. Een pilletje kalmeerde me.
En vandaag schijnt de zon gelukkig weer. De pijn is weer onder controle en mijn naamgenoot schijnt inmiddels op de intensive care te liggen . I pray for her.

maandag 20 oktober 2014

Hysterie


Amerika is in de greep van de angst voor Ebola. De realiteit lijkt er niet meer toe te doen: 1 dode, 2 in quarantaine, 150 contactpersonen geïsoleerd. Van alles en iedereen is in gebreke gebleven als het gaat om het isoleren van die ene – inmiddels overleden -Liberiaan. Kort door de bocht: Eigen schuld, dikke bult.
Ons land is voorbereid. Vorige week is in Groningen voor 200.000 euro een unit ingericht voor één ebolapatient. Mooi. Want wij weten alles van het traceren van contacten en dus worden in no-time alle eventuele besmettingen geïsoleerd.  Maar in arme landen als Sierra Leone, Liberia en Guinee hebben ze niet die middelen om patiënten te isoleren.  Ik heb het gezien in amateuristische videofilmpjes op Vimeo en YouTube en was geschokt. Patiënten bonzen op de deur van een kliniek en roepen dat ze ziek zijn. Het hek blijft dicht, de bedden zijn vol. De patiënten vallen ter plekke op straat. Niemand mag ze aanraken en creperen weg.
De ‘healthworkers’ – vrouwen en mannen die gewend zijn hooguit malaria patiënten  te verplegen - gebruiken geïmproviseerde kleding om zich te beschermen. Jonge jongens en mannen uit de getroffen dorpen vormen speciale groepen die lijken weghalen. Ze zijn hun sociale contacten kwijt omdat iedereen bang is voor besmetting. Verplegers sturen hun familie weg om ze niet aan het virus bloot te stellen. Ze werken dag en nacht door en ALS  ze dan eindelijk rust nemen kunnen ze niet slapen van de beelden die op hun netvlies staan.

Ik ben niet bang om naar Gambia te gaan. Als ik in november er naar toe ga wil ik alleen wél goed geïnformeerd zijn. In de eerste plaats voor mezelf, maar al gauw realiseerde ik me dat al het gedownloade materiaal  heel geschikt is om de mensen in ons dorp van informatie te voorzien. Ik heb begrepen van een Gambiaan met wie ik regelmatig internetcontact heb, dat de meeste mensen hun informatie van de radio hebben. Maar aanplakbiljetten of folders over de broodnodige hygiëne die Ebola kan voorkomen, hebben ze niet. Veel mensen kunnen niet lezen en schrijven. Dus moet je je bedienen van plaatjes. Op de pc heb ik nu allerlei praktische voorlichtingsbrochures en aanplakbiljetten verzameld, voor zowel de bevolking als de kliniekjes en schiolen in het dorp.  Mp3-tjes met voorlichting in de lokale talen Mandinka, Fula, Wolof en Criollo, kunnen ze zonodig uit een luidspreker laten schallen. Verder veel pdf-folders met plaatjes om uit te printen, van hoe je je handen moet wassen tot of-je-wel-of-niet-naar-de-markt mag. En voorál de waarschuwing: Geen koorts?! Geen Ebola! 

In Gambia is gelukkig  geen Ebola. Maar wat niet is kan nog komen. Het is weliswaar omringd door Senegal dat 100% schoon verklaard is na de enige Ebola patient die ze een paar weken geleden hadden.  Maar opletten blijft geboden. Er wordt wat afgereisd in bushtaxi’s tussen de aangrenzende Afrikaanse landen. Of er in elk dorpje dat toevallig grenst aan een ander land getemperatuurd wordt vraag ik me af. Al die achteraf weggetjes die je normaal gesproken kunt nemen om te vermijden dat je een paspoort moet laten zien, zijn bij iedereen bekend. En als je hard weg wilt rennen voor die enge ziekte in je land, smeer je hem met de bushtaxi cq taxi-brousse via zo’n bush-weggetje. Maar hopelijk heb ik het mis en wordt er waterdicht gecontroleerd. 

In Afrika bidt iedereen voor alles en iedereen. Ik bid dat Gambia ebola-vrij mag blijven. En vóór alles:  dat hysterie geen kans krijgt.

zondag 19 oktober 2014

Bang


Stoer en schijterig zijn gaat samen. Ik ben er het levende bewijs van. De wondverzorgster belt me op. Of ik er klaar voor ben. Gadver.. helemaal vergeten ook. “Zal ik de wond maar vast in de week zetten?” piep ik. Wat ík wil,  is haar vrolijke antwoord. Ik pullik de vacuumslang en het transparante plastic op mijn onderbeen los. Een rottende lucht vult de kamer. Meteen durf ik niet meer verder. Maar de boel laat als vanzelf los en daar ligt het corpus delicti. Nu is afstand nemen van je eigen lijf best moeilijk en dus draai ik mijn hoofd zo ver mogelijk weg om het niet meer te hoeven zien. Ik ben bang. Er zit nog één gaasje op, wat krijg ik te zien als dat eraf is? Dan gaat de bel. De wondverzorgster. Vroeger noemden we dat wijkverpleegster maar dat mag niet meer.

Ik zet het lege wijnglas licht beschaamd wat achteraf en meteen weer schuif ik het naar voren. Wat kan mij het ook schelen. Een wijntje op zondagmiddag onder het kijken van een gehuurde dvd moet kunnen. Het volgende kwartier wordt er gemeten, geknipt en geplakt. In no-time heeft ze de boel weer vacuum verpakt en ga ik mijn laatste dagen aan de pomp in. Over drie dagen is de huidtransplantatie.

 Mijn angst bleek nergens voor nodig. Het gaas liet gewoon los en de  randen waren mooi en schoon volgens haar. Ik kijk uit mijn ooghoeken. Oh ja, niks aan de hand, het leed is geleden. Telefoon erbij en een foto maken. Klaar!
Als je zo’n pomp de hele dag met je meedraagt vergeet je hem wel eens. Direct word je terug gefloten door de slang die aan je been trekt. Oh ja, even blijven opletten. Er op uit gaan om je niet gehospitaliseerd te voelen cq invalide ( belachelijk trouwens, het idee alleen al..) vraagt moed. Kan ik wel met dat ding op de fiets? Wat als ik  nou nóg een ongeluk krijg, etc etc. Doemgedachten zijn er wat mij betreft dan ook om direct de nek om te draaien. En dan zijn we dus bij ‘stoer’ aangekomen.

Bij de Openbare Bibliotheek in Amsterdam leen ik een paar dvd’s en een dik boek. Nog even naar  het restaurant op de zevende etage en ik zit weer in mijn normale routine. Op het dakterras nuttig ik de appel-notenpunt met slagroom. Troostgebak is overal goed voor. Nog even van het fantastische uitzicht over Amsterdam bij schemer genieten en ik mag trots op mezelf zijn. Weer een hobbel genomen. Met de lift ga ik naar beneden. Zeven trappen met een beenwond is niet logisch en verre van stoer, eerder dom.
Als ik door de detectie poortjes ga zie ik de allochtone bewakers in uniform mij scherp in de gaten houden. Het alarm gaat niet af want ik heb alles keurig geleend met mijn abonnement. Dan zie ik wat zij zien. Een vrouw die een dikke bult onder haar jas vervoert. De pomp met zijn lichtjes eruitziend als een futuristische disco handtas heb ik geprobeerd onder mijn jas te verbergen. Ik kan niets anders bedenken dan mijn pas inhouden voor het geval ze denken dat ik zo een spurt ga nemen om aan ze te ontsnappen. Ik wacht op het “mogen wij even kijken mevrouw wat er onder uw jas zit”. Stilte. Niets. Ik draai ongelovigmijn hoofd om en lach schaapachtig naar ze. Bijna verontschuldigend. En loop ondertussen de traptreden af zonder te kijken. “Let toch op!” klinkt het in mijn kop, straks lig je wéér!” Ik wandel met mijn bult-onder-de-jas naar buiten en verbaas me nog steeds dat er geen bewakers achter me aankomen. 

De lucht is knaloranje met schuine strepen van het luchtverkeer. Het water van het IJ ligt erbij als een eersteklas persfoto met zijn architectonische gebouwen langs de kades. “Let nou o-hop!” vermaan ik mezelf. De rest van de weg fiets ik als een braaf meisje naar huis. Niet alleen stoer en bang, maar ook nog braaf. Pfffht!