donderdag 24 april 2014

Kwijt


Kwijt betekent meestal dat je iets verloren bent en dat je het hoopt terug te vinden.  Je bént iets kwijt. Het gaat gepaard met een spijtig gezicht, afgezakte mondhoeken, een frons. Afgezien van het laatste – mijn gezicht staat op oorlog – heb ik het over iets anders. Ik móet iets kwijt. De verdomde Nederlandse Ambassade heeft het visum voormijn vriendje Tapha afgewezen. Voor wie niet weet wat dat betekent: het is k.u.t  cq k.l.o.t.e  Vergeef me deze woorden. Het betekent dat hij niet op vakantie mag komen. Niet mee naar Vlieland mag . Niet samen met mij door de stad mag fietsen. Niets van dat alles.. niet niet niet…

Gewoon even op vakantie komen vanuit Gambia, niets meer en niets minder. Dat kan niet. Ik heb niet bewezen dat hij voordat het visum afloopt weer naar zijn thuisland vertrekt. Hoe moet je dat goddomme dan bewijzen, behalve met een brief van zijn ‘baas’ waarin vermeld staat dat hij terug verwacht wordt op het werk? Wie het weet mag het zeggen. Maar dat is het niet. De deur in Nederland zit gewoon dicht uit angst dat er nog meer buitenlanders komen. Moslims nog wel uit Afrika. Nee dat kunnen we niet hebben. We hebben het zelf al zo moeilijk. Angst.

Als ik Tapha opbel laat hij zijn stem nauwelijks horen. “Tapha!”roep ik, ”speak please!” Jajaja hoor ik hem mompelen en zie zijn gezicht voor me. Op de achtergrond spelen kinderen die om een bal of iets anders vechten. “Tapha!!.. what do I hear?!” Het is Appa, een schattig jongetje, een boender ook, die met een van de andere jongetjes op de compound aan het vechten is. Terwijl hij me dat vertelt hoor ik voorzichtig iets van ontspanning. Denk denk.. natuurlijk het is erg voor hem, voor mij veel minder. Voor mij was het een leuke vakantie, voor hem tevens een ontsnapping uit de misère en de armoede. Opeens weet ik de sleutel om dit vreselijke bericht te relativeren. Zijn spannende lange en vermoeiende reis naar de ambassade in Dakar te relativeren. Al het geld dat het gekost heeft te relativeren. 

“You know Tapha, I am also angry, but Fock them! It was only a holiday.
They don’t have the power to take more of us!” Ik vertel hem dat hij nog steeds zijn eigen bedrijfje heeft, ik nog steeds van hem hou en hij hopelijk van mij. Dat Holland echt geen paradijs is hoef ik hem niet meer te vertellen, dat dringt  zo wel tot hem door.  Ik hoor hem heel zachtjes lachen als ik de ambassade vervloek en doe het nog eens dunnetjes over: “They don’t have the power to change our lifes!” Een zucht van verlichting ontsnapt me als ik hem eindelijk oprecht hoor lachen. “No no no…”
Hoe het verder moet, nog geen idee. Het liefst stap ik nu op het vliegtuig om hem te knuffelen en in zijn oor te fluisteren dat het goed komt. Dat we het weer leuk gaan hebben samen. Dat we samen de jeep pakken en ver weg gaan. Op vakantie. Maar ik heb een buik die niet wil. Nog niet. En een tent die wacht op Vlieland. En.. en.. en..

Kwijt. Niet een visum, want dat hadden we niet eens. Ook niet liefde, want dat is er nog steeds. Niets aan de hand dus, gewoon doorgaan alsof er alleen maar een vakantie niet door gegaan is.
Dat kan de beste overkomen..

dinsdag 22 april 2014

Vliegenbos

Het was een grijze saaie dag geweest met regen op de ramen. Ik had niets gedaan behalve wat tv kijken en een boek lezen. Hoewel ik voor dat laatste nauwelijks  puf kon opbrengen. Toen ik om vijf uur naar buiten keek maakte mijn hart een sprongetje. De zon! Ze was ons niet vergeten! Snel trok ik mijn oude voddige trainingsbroek uit en wisselde die om voor iets toonbaarders. Ik kon op zijn minst even eruit gaan om melk te halen bij de AH om de hoek.
Bij de hoek aangekomen keek ik naar rechts, waar het nieuwe pontje een aanlegsteiger heeft. Zal ik? Plots gooide ik mijn stuur om en slalomde over de trambaan op het pontje af. Ik was er nog niet op of de klep ging omhoog. Het IJ schitterde in de zon. Aan de overkant lag ‘Noord’ – dat zeggen wij Noorderlingen in plaats van Amsterdam Noord. De fabriek van Ketje stootte witte rookpluimen uit die fel afstaken tegen de inmiddels heldere lucht. Je hebt niet veel nodig om terug te keren tot een andere tijd. Alleen de naam Zamenhofstraat al – de aanlegplaats van het pontje – riep herinnering na herinnering op. En voor ik het wist fietste ik naar de plek waar ik als kind gespeeld had.

Ik zocht de zware ijzeren deur  bij de achteruitgang van mijn opa’s volkstuin . Tot mijn stomme verbazing was het  complex er nog. De achteruitgang was verdwenen en vervangen door  een ontoegankelijke ijzeren afrastering . Op zoek naar een ingang sloeg ik de hoek om. Wat ik daar zag nam mijn adem in een klap weg. Een lange versleten asfaltweg vol met kuilen, hobbels en bobbels, met aan weerszijden dikke  hoge bomen. Bomen uit mijn kindertijd. En groen.. zo groen en fris na de regen van de dag, mijn mond viel open van verbazing. Iemand op een kantoor van stadsvernieuwing was deze plek vergeten.  Het  ‘Vliegenbos’ waarvan ik me als kind afvroeg waarom ik er nooit zwermen met vliegen tegenkwam.  Later, toen ik als beginnende puber door het bos fietste omdat dat de kortste weg naar huis was passeerde ik het bordje J.H.Vliegenbos en wist ik dat het nooit iets met vliegen te maken had gehad. De natuur mocht zestig jaar haar gang gaan. De herinneringen vochten om voorrang. Die omgevallen boom.. dat  verholen paadje.. die.. die.. die.. Het duizelde me. Ik moest de ingang naar het volkstuincomplex vinden. Ik fietste de lange groen omsloten weg af en zag achter het hek de tuintjes van het volkstuincomplex liggen. Een enkel vervallen schuurtje, een piepklein slootje – voor de afwatering van wat? – composthopen, typisch de achterkant zoals ik me die van mijn opa’s tuintje herinnerde.  Even leek het erop dat ik de ingang niet kon vinden, maar na wat heen en weer gefiets vond ik een doodlopend weggetje dat eindigde met een keurig ijzeren spijlenhek waarop een fris geverfd bord “Buitenzorg ”aankondigde.

Achter het hek  hoorde ik plat Amsterdams. Er leken mensen aan de borrel te zitten. Bij een kantine misschien, een clubhuis. Voorzichtig duwde ik mijn fiets langs het hek en keek vragend naar een man die zojuist dozen met catering stond in te pakken. Men had hier duidelijk een Paasfeestje gehad.  Of ik naar binnen mocht. En of ik over het complex mocht wandelen. Met een wijds gebaar wuifde de man naar een smal paadje. “Wel voorzichtig zijn hoor want het is glad!” Ik parkeerde mijn fiets en wandelde over de oude groen uitgeslagen tegels van het straatje. Want dat was het. Een straatje met aan weerszijden volkstuintjes. Niet zoals vroeger met een grasveldje en een keurig moestuintje aan de zijkant, maar wild en kleurig. Oude jasmijnstruiken en bloeiende appelbomen hingen over het pad. Loeiers van tulpen in het hoge nog natte gras. Paarse en zwarte, pastel roze en knalrood als rode rozen.  Ik wandelde met een brede lach langs het ene na het andere paradijsje. Ze zeggen wel eens dat je hart gevuld kan zijn met geluk, dat was het. Alsof je hart opengaat en de geuren en kleuren, de hele mikmakse natuurbende in een klap je lijf in struint. Ik schuifelde over de gladde stenen langs paarse seringen, wit-roze bloesems  en miniatuur  houten huisjes, nog geen twee meter hoog, sommigen  met een heus zolderraam.
Bij de nieuwbouw huisjes - allemaal hetzelfde met springkussen  voorde deur – draaide ik mijn hoofd af. Ik wilde er niet van weten. Het was 1956 en dat moest het even blijven.

zaterdag 19 april 2014

Bordje

Er gaat geen dag voorbij dat ik niet een brief, een kaart, een oude foto of een beduimeld boekje in mijn handen heb. Zo gaat dat als je schoon schip wilt maken met het verleden. Met al die papieren en fotoboeken en dagboeken die tot ballast verworden zijn. Soms kom je iets tegen dat je bijna weggegooid had, een leeg boekje. Misschien nog goed genoeg om af en toe wat in te schrijven in Gambia! Ik check even of het wel echt leeg is. Dat is het niet. De eerste drie bladzijden zijn beschreven.
Schok, ik herinner het me opeens. Ik schreef het onder een capuccino met gebak, zittend bij banketbakker Kwekkeboom. Ik zat er om bij te komen – een ander neemt een borrel, ik gebak - van wat me daarvoor overkomen was en schreef:

Altijd als ik bij mijn in 2001 overleden vriendin in de buurt kom wil ik even naar haar huis. Ik doe het nooit. Ik bekijk wel de bloemenstal waar ze elke week flinke bossen lelies kocht. De bakker waar ze het beste brood haalde en de fietsenstalling waar ze haar veel te grote BMW-motor in stalde. Maar nooit sla ik haar straat in. Laat staan dat ik bij haar deur ga kijken. Vandaag gebeurde het zomaar. Ik wist haar huis feilloos te vinden terwijl ik nog steeds het nummer niet weet.

Ik kijk naar boven, naar de derde etage, met een raam op de vierde, de zolder. Zoals bij veel oude huizen had ze een trap binnendoor gemaakt naar de vierde etage, waar vroeger alleen lattenzolders waren. Voor elke bewoner een met latten afgeschermd stukje. Ze toverde het om tot slaapkamer annex atelier en maakte er de mooiste en meest idiote creaties voor het theater. Ze was ontwerpster bij Toneelgroep Amsterdam. Op het piepkleine balkonnetje aan de voorkant staat nog steeds een houten klapstoeltje. Of misschien staat het er wéér. Twee armetierige geraniums maken het zitje compleet. Mijn blik dwaalt langs de gevel naar beneden en blijft hangen bij de inmiddels verveloze voordeur. Op de deur prijken drie naambordjes. Op het middelste bordje staat haar naam: T.Lute. Tien jaar na haar overlijden lijkt ze nog steeds op hetzelfde adres te wonen. Ze is druk en nooit thuis. Jammer, want ik zou haar graag nog eens spreken. Zó ver kan ze niet zijn..


Pasen

Jarenlang hield ik een blog bij. Het was mijn eerste blog TienerdanTien. Daar schreef ik alledaagse dingen op, maar ook - en vooral na het herseninfarct van mijn moeder - over mijn ouders die ik wekelijks bezocht. Vijf jaar geleden was het ook bijna Pasen. Op zoek naar een stukje dat ik er toen over geschreven moest hebben, stuitte ik op onderstaande tekst. Wat ben ik blij het te lezen, ze komen weer zó dichtbij me.. terwijl mijn moeder nu al vier jaar en mijn vader twee jaar dood is..

Minstens één maal per week ga ik naar mijn ouders. Nu was ik het weekend weg geweest. Helemaal naar dat verre eiland. Ze zou zeker zeggen: Waar wás ik nou toch?! En zo láng?! Gedverderrie!
Maar niets van dit alles . Op de elfde etage staat tot mijn grote verbazing mijn moeder in de gang, geleund tegen de muur. Strálend. “Da-hag!”Bén je daar?”  roept ze me toe als ik de lift uitstap. Ze wankelt op me af – zonder rollator – grijpt mijn arm om samen de gang uit te lopen en naar binnen te gaan.
Ze ploft in de sta-op-stoel. “Zo. Wanneer ……..” en ik weet dat ze wil weten wanneer ik wéér ga.
“Oh nog lang niet. Met Pasen pas.” Ik kon er op wachten. Ze heeft het nooit prettig gevonden als ik te lang wegbleef. En nu helemáál niet.
“Ja maar, wannéér…?!”. Allemaal leuk dat Pasen, maar ze is niet gek. Direct is het aanstaand weekend Pasen en ben ik hem over  twee dagen alweer gesmeerd.
“Niet dit weekend, maar het volgende. Over anderhalve week.”
Ze is zichtbaar gerust gesteld. Eindelijk kan ze met haar ogen dicht in de stoel gaan zitten.
Ik zie dat ze niet tevreden is en vraag wat er is. Ze lijkt last te hebben van haar hoofd. Dat er niets meer in zit. ”Alles weg.” Dat is triest en dat vertel ik haar ook. Soms zijn er goede dagen ( ik steek mijn duim omhoog) en soms slechte (duim naar beneden). Maar dan is de volgende dag vaak weer goed (duim omhoog). Ze veert op: “precies!”. Knap hoe ze nooit voor altijd de moed laat zakken.
Ik was haar haar en föhn het. Ze ziet er meteen veel beter uit. En dat voelt ze ook. Straks gaan ze naar het restaurant om te eten met de andere bewoners.
“Mam, zullen we daarna even naar de computer gaan? Dan laat ik u plaatjes van Vlieland zien. De tent en zo..”
“Gedver..nee hoor! Boewaah! Koud!” Ik probeer haar later nog eens over te halen. Zonder resultaat. Dan bedenk ik me opeens dat ze het ook voor mij kan doen. Omdat ík het leuk vindt. Dát slaat aan. “Goed” besluit ze en gaat met mijn vader de deur uit om te eten beneden.

Na het eten komen ze inderdaad naar de computer toe. Ik laat ze van alles zien. Ook de logjes over haar. Ik lees er eentje voor. Mijn vader staat perplex. Hij vindt het zowaar mooi. Maar ook zo gek dat iedereen in de wereld het kan lezen. Ik stel hem gerust met een  “ niet iedereen kent Tien hoor..” (alsof dat ergens op slaat..)
 Na wel een half uur van alles bekeken te hebben. Gaan we weer naar boven. En wat er dan gebeurt is geweldig. Mama begint te zingen. Papa valt in met een tweede stem. En dan gáán ze toch een lol maken met zijn tweeën. Papa móet van alles van mama,  wat hij vervolgens expres verkeerd doet. We zingen “de uil zat in de olmen” en mijn vader verschuilt zich in de keuken om bij “koekoek!” zijn hoofd olijk om de hoek te steken. Waarbij mijn moeder het uitgiert van de lach….

Wat zijn ze lief. Wat zijn ze vrolijk. Zucht, er is zo weinig voor nodig. Gewoon een beetje tijd en aandacht. Meer niet.

vrijdag 18 april 2014

Telefoongesprek




Het is vrijdag en de telefoon gaat. Op het schermpje van mijn mobiel zie ik dat Gambia aan de lijn is. En hoe laat het is. Drie uur Gambiaanse tijd, de ‘Friday-prayer’ is voorbij. Hij heeft bijgekletst met zijn familie en vrienden en nu ben ik aan de beurt.
 Verder dan de telefoon Biep! één keer over laten gaan hoeft hij niet.  We hebben afgesproken dat ik bij één biep! direct terug bel.  Ik tik zijn nummer op Skype in. Niet dat dat goedkoop is, maar je zíet tenminste wat je verbruikt.
“Hallooo, its me, Tapha!” Zijn stem gaat over in laag  gegiechel.
 Ik giegel hoog terug. “Hallooo its me, Tineke!”,  alsof hij dat nog niet wist. We zijn blij elkaar te horen, zoveel is duidelijk. Het telefoongesprek met mijn ‘fiancé’ – hier heet dat gewoon ‘vriend’-  gaat vervolgens nergens over. Behalve over hoe we elkaar missen. We missen elkaars lach, elkaars stem. Ik zijn zwarte zachte vel en hij mijn witte volle lijf. Wat missen we niet?
Woorden kunnen we missen. “Taal is zwaar overschat” roept een vriendin als ik haar over onze telefoongesprekken vertel. Ik ben direct gerustgesteld.

Ik druk het mobieltje stijf tegen mijn oor. Op de achtergrond hoor ik Tapha’s haan kukelen en denk terug aan een ochtend – alweer lang geleden - na de nacht bij hem.
 De haan zat met een reep stof aan een stevig palmblad vastgemaakt. Hij probeerde zich los te rukken.. links, rechts, vooruit, achteruit. Maar hij kwam niet ver.
“Why is he fixed?”vroeg ik Tapha toen ik het achtererfje opstapte om een plas te doen. Verbaasd keek hij me aan. Daarna gaf hij me een big smile en keek van mij naar de kip die beneden ons  in het stoffige zand tegen de omheining gedrukt zat.
“Are you going to eat him?” vroeg ik. Tapha lachte voluit, blij dat ikzelf het antwoord al bedacht had. “Yes! When he is big, I eat him.”  

Geknetter aan mijn oor. Ik frons mijn wenkbrauwen, span me in om te verstaan wat hij ondertussen probeert te zeggen. De haan kukelt aan een stuk door op de achtergrond.
”Sisee! Say hello to the sisee from me!” roep ik opgetogen. Kip, kip, groet de kip van me! Stilte. Ik zie zijn vragende gezicht voor me. Hij begrijpt er niets van dat ik in dit dure telefoongesprek  met de haan en de kippen bezig ben.
“I miss your voice..” hoor ik hem uitbrengen. Dan maakt het ook niet uit wat je zegt en ik giechel nog maar eens in de hoorn.
Missen. Tja, de enig echt werkzame remedie is een ticket boeken. Om elkaar weken later in de armen te kunnen vallen, elkaar eindelijk weer aan te kunnen raken. Het verlangen in zijn ogen te lezen. De lach van zijn lippen te proeven. De warmte van zijn fluwelen huid tegen de mijne te voelen. Ik voel weer zijn handen die de mijne bijna fijn knepen bij ons afscheid. Om nooit meer los te laten.

“Hello?!?!” Doodse stilte. Geen geknetter, geen haan, geen Tapha. Ongelovig laat ik de gsm zakken en kijk op het display. Tapha kijkt vanaf het schermpje op mijn mobiel lachend naar me op, de oranje Koninginnedag zonnebril op zijn voorhoofd geklemd. Ik zucht en mompel in het niets: “netwerk problem”. De lijn is verbroken. We hebben niet eens kiss-kiss-kiss kunnen smakken door de telefoon, denk ik verontwaardigd.
Op de televisie staat een vent in glitterpak te zingen. Een andere wereld, bijna een andere planeet. Langzaam kom ik terug. Ik doe de tv uit en wil dromen van mijn lief.

donderdag 17 april 2014

Liedje



‘s Ochtends als ik wakker word, mijn ogen nog dicht, droomdenk ik over dingen. Over een kopje, hoe ik eraan kwam en ook weer eraf. Over een boek, een film, dingen die mijn leven kruisten. Maar ook over situaties. Hilarische, komische, verrassende, trieste. Of een combinatie ervan. Dan wil ik het opschrijven. Bang om de gedachten te verliezen durf ik nauwelijks mijn ogen open te doen, uit bed te stappen om te plassen, koffie te zetten. Naast me op het andere kussen ligt mijn reis laptopje. Meteen beginnen? Of het erop wagen en uit bed stappen om de dingen te doen die gewoon zijn als je net wakker wordt. Bij mij gaat nooit iets gewoon. Ik blijf niet in bed maar beperk de activiteiten tot het uiterste. Wc, koffiemachine aan, raam open. In plaats van me aan te kleden – kan niet eens want ik moet eerst  mijn zere buikwond douchen – sla ik een plaid om mijn middel zoals ik in Afrika een doek omsla. Met een dik vest zet ik me aan het bureau met de grote laptop in de andere kamer. De frisse ochtendlucht stroomt binnen. Evenals  autogeluiden, een blaffend hondje. Rinkelend glas van de glasbak die wordt geleegd. Stinkende uitlaatgassen van de vrachtwagen die dat doet. Papa..

Papa, ik wil over u schrijven. Gisteren hoorde ik een liedje. Het ging over u. Hoe u mama jaar na jaar verzorgd hebt na het herseninfarct dat haar vleugellam en sprakeloos maakte.  Tot u het na zeven jaar niet meer kon, gek werd van haar taaltje. “1-2-3 geleukete..mooi..” Met dat en nog een paar standaard eigen gemaakte woordjes moest ze het doen.   U vroeg zich zuchtend en hoofdschuddend  af hoe het mogelijk was dat ik met mama lol kon maken, haar ogenschijnlijk wél begreep. We wachtten tot ‘de wal het schip keerde’ want wisten ook geen oplossing. Die oplossing kwam, mama ging dood. Het was haar gegund, ze wou niet meer.
Papa, mijn tranen waren opgedroogd dacht ik. Ik dacht dat ze nooit meer terug zouden komen. Maar sinds het liedje dat ik gisteren hoorde kan ik meren vol huilen als ik wil. Dat wil ik niet. Even huilen is goed. Dat heeft u verdiend. Lieve papa, dat u rust in vrede. Het liedje is voor u. Van Maarten van Roozendaal.


In dit te late einde
Hij zet haar bij het raam
Dan neuriet hij hun liedje
En dan fluistert hij haar naam

In dit te late einde
In dit onvoltooid gemis
Ze is gelukkig niet meer bang voor hem
Maar ze weet ook niet wie hij is

In dit te late einde
Hij veegt ‘t brood van haar gezicht
Hij geeft de planten water
Hij doet de gordijnen dicht

In dit te late einde
Helpt hij haar op ‘t toilet
Hij kust haar op haar voorhoofd
En dan tilt hij haar in bed

In dit te late einde
Soms leest ie dan gewoon een krant
Soms vertelt hij weer over vroeger
Streelt haar eindeloos de hand

In dit te late einde
Zo uitgeleefd, zo klein
Zondag gaat ie vissen
Als de kinderen er zijn

In dit te late einde
Haar medicijnen en haar bril
Soms doet zij haar ogen open
Alsof zij het zeggen wil
Dit te laten einde

maandag 14 april 2014

Buurmannen


“Hi Tineke, how are you?” Marvin komt zojuist naar buiten. Hij is mijn zwarte goedlachse drukke buurman, hij komt uit Jamaica en is getrouwd met een klein Spaans vrouwtje. “I am alright and you?” Hij heeft nooit tijd, moet altijd door, maar een praatje met mij , daar doet hij zijn best voor want ik ‘ga’ met een zwarte man uit Gambia. “I have been there! I wanted to see the villlage of Kunta Kinte! I did not see you!!” Nee dat verbaast me niets, Gambia is geen klein landje. Marvin had zich vorig jaar aan me voorgesteld. Op Koninginnedag. Hij droeg een enorme Motown-pruik, een oranje T-shirt en had de Hollandse vlag op zijn bruine wangen geschilderd.  “Hi I am Melvin!”
Na vrolijk wekenlang  “Hi Melvin!”geroepen te hebben vond hij het tijd om in te grijpen. “It’s Márvin! From Marvin Gaye!! Sexual healing!!” Jajaja..stop..ho.. ik heb hem!
Marvin Gaye. Marvin Gaye. Zijn beroemde ‘Sexual Healing’ stáát voor begin jaren ’80. Het zouden mijn wildste jaren worden. De gekste, stoutste jaren ook. De tijd was er naar. Was de sexuele revolutie begin jaren zeventig, begin tachtig kon er ook wat van. Maar anders. Seks and drugs and rock&roll speelden de hoofdrol waarvan de tweede wel de star was. Alles kon, alles mocht, voor niets deinsden we terug. “Wé?!” hoor ik mijn vriendin al in gedachten ontsteld zeggen. ”Jij! zal je bedoelen!” Ik moet toegeven, ik was de initiatiefneemster, maar mijn vriendinnen waren gemakkelijk mee te krijgen. In een grachtenpand achter het Paleis op de Dam had ik een sousterrain gehuurd van een vriend. Nou ja gehuurd.. ik betaalde de helft en voor de andere helft hield ik de marmeren gangen en trappen van het monumentale pandje schoon. Dat schoonmaken was een crime. Ik stelde het uit en uit tot de volgende week al bijna weer aangebroken was. Katers waren me niet vreemd want ook overdag werden er regelmatig flessen dure Chablis open getrokken die ik verkregen had middels ‘proletarisch winkelen’.
Ons pand was door nog een creatieveling bezet, op 2-hoog. Een Engelse videomaker die muziek-en reclameclipjes maakte waarin Michael Jackson met ‘Beat it!’ de montagekamer vulde. Was ik in Utrecht na mijn ‘scheiding’ al behoorlijk los gegaan, met het zien van de zwarte krullen en de blauwste-ogen-die-ik-ooit-gezien-had viel ik als een blok voor de kleine videoman.
In het atelier dat ik in het souterrain had ingericht  kon hoegenaamd alles. Er stonden naaimachines, een enorme patroontekentafel en een vitrine met jaren’50 kinderkleertjes, speelgoed en schoentjes. Ik was afgestudeerd aan de Rietveld Academie op Kinderkleding.  In een donkere hoek hing een stortbakje met een kraan aan de antieke steentjes. De muren had ik geschilderd maar beschimmelden waar je bij stond. ‘Sexual Healing’ klonk uit de zwarte Sony radio-cassetterecorder. Aan werken kwam ik overdag nauwelijks toe. Iedereen kwam  langs. Niet alleen vrienden uit Utrecht die een dagje Amsterdam deden, maar ook klanten en vrienden van de videomaker die niet open gedaan had omdat hij in mijn bed lag te ronken. Sommigen namen hun racefiets op de nek en struikelden met fiets en al het stenen trapje naar mijn Walhalla af.  De kleine passpiegel werd van de muur gehaald en gebruikt om een ‘lijntje’ te leggen. Het was het equivalent van  ‘De Zoete Inval’. De videoman en ik reisden op en neer naar Londen. Sliepen met zijn 8-jarige zoon tussen ons in en schoven hem aan de kant als we seks wilden.
Inmiddels was ik maar in mijn atelier gaan wonen. Blokjes van twee dagen per week  omdat heen-en-weer reizen naar Utrecht me te duur en omslachtig werd. In een afgeschermde hoek legde ik pallets met een matras erop. Om het gezellig te maken stond er een reuze tv, een vierkant houten blok van afgebladderd fineer. De klanten die mijn kleren nietsvermoedend kwamen passen schrokken regelmatig op als ze opeens een paar voeten zagen bewegen achter het schot dat mijn slaapkamer was. Die voeten waren niet altijd van de kleine videoman want trouw waren we allerminst. Zowel hij als ik gingen ons gang. Dat kwam niet in de laatste plaats door de drank en drugs waaraan we ons tegoed deden. Onze eventuele jaloezie schoven we aan de kant om ruimte maken voor nog méér van alles. In de avond probeerde ik mijn werk te doen. Naaide kleding van zeemleren vellen en zware fluwelen gordijnen voor de VPRO directeur die mijn buurman was. Alles om aan geld te komen. Tegen twee uur ’s nachts werd het tijd om uit te gaan. Op de zilver geverfde omafiets peddelde ik naar discotheek “Mazzo” op de Rozengracht. Een pasje had ik niet maar ik lulde me altijd naar binnen. De videoman was een van de oprichters. Daar pakte ik de drank weer op, snoof met vage meiden een lijntje in het toilet. Tegen zes uur ’s ochtends was het wel gedaan met de pret. De dansvloer was leeg, alleen aan de kant hingen de eerst nog uitzinnige dansers op een bank tegen de muur. De een na de ander strompelde naar buiten. Eenmaal in de buitenlucht ‘vergaderden’ we nog even na en vertrokken ofwel naar een volgende tent óf naar iemands huis. Ook mijn atelier was regelmatig het doelwit om nog even een eitje te bakken of domweg om met elkaar naar bed te gaan.
Mazzo was een elite tent. Acteurs, schrijvers, muzikanten, artiesten van allerlei kunne. Niet gek want het was opgericht door mensen van de Rietveld. Het was dan ook allerminst verbazend  toen mijn vriendin en ik  Donald Jones op een vroege ochtend ontmoetten na weer eens een nacht vol drank. We hadden zin in wat te eten.  Even later beklommen we de smalle houten trapjes van zijn woning om de hoek van Mazzo. Op elke etage van het Jordaanpandje had hij één kamer, zo smal was het. “Music?” vroeg hij in het Engels, waarschijnlijk te teut om zijn schattige gebroken Nederlands ten gehore te brengen. Tuurlijk knikten wij, mijn vriendin en ik. Hij zette een plaat van Beethoven op. Of van Bach, dat weet ik niet meer. Na enige minuten haalde hij de arm van de platenspeler omhoog. “Listen! I show you a different version now.” en hij haalde  een volgende versie van het vinyl uit een hoes. “Dit wordt een vergelijkend warenonderzoek vrees ik, het lijkt dat radioprogramma wel!” Ontsteld keken we toe hoe Donald plaat na plaat op de speler legde.  Het werd tijd om hem uit zijn  muzikale droom te helpen. “Do you have eggs?!” Het werkte. Mijn vriendin bleef boven voor zich uit zitten staren en Donald en ik stuiterden het trapje naar de keuken af, een verdieping daar onder. Na het uiteindelijk verorberde gebakken eitje deed hij nog even een poging om ons alle twee in bed te krijgen. Maar zonder resultaat. “Sorry, we are too busy.” logen we met onze dronken hoofden en fietsten zigzag over de tramrails in het vroege ochtendzonnetje terug naar mijn atelier.
Buurmannen, ik heb er geloof ik iets mee..


Herman Brood voor Mazzo